1894-1914

Roomboterfabriek Mijnlieff & Co.

5 FEBRUARI 1894 - Een berichtje in de Goudsche Courant meldde dat steenfabrikant Leonard Fopbertus (Leen) Mijnlieff aan de Kralingse architect Brandsma opdracht had gegeven om een boterfabriek voor hem te ontwerpen. Leen Mijnlieff was opgegroeid op de steenplaats Hitland van zijn ouders op Klein Hitland in Nieuwerkerk. Hij was de vader van de ijsselsteenfabrikanten Arie Mijnlieff en Adriaan Marie Mijnlieff. De zuivelfabriek zou komen op de plek waar nu het distributiecentrum en de coolstore staat van Exportslachterij T. Boer & Zn bv op Kortenoord.

±1950 Rechts van het kapitale spiegelhuis staat de fabriek, waar dan inmiddels Paul & van Weelde opereert.

Steen- en boterfabrikant Leen Mijnlieff, de stichter van de boterfabriek.

Een van Leens twee zonen cq compagnons: Adriaan Marie Mijnlieff

Leen Mijnlieff zorgde goed voor zijn jongens. Zoon Arie had de steenfabriek op de Spreeuwenhoek in Ouderkerk gekregen en – als destijds te doen gebruikelijk – kreeg de jongste Adriaan Marie steenfabriek Hitland om daar in de voetsporen van zijn voorvaderen te treden.

Leen vond dat kennelijk nog niet genoeg en wilde het bedje voor zijn nageslacht niet alleen met winst uit harde ijsselsteen spreiden, maar ook uit die van zachte boter. Het pakte echter niet uit zoals hij voor ogen had: zijn Roomboterfabriek Mijnlieff & Co, met als compagnons Arie en Adriaan Marie, zou al twee decennia later onderuit gaan. 

±1910 Het bezorgen van melkbussen bij het laadperron. Bron: SAMH.nl Stamnummer 51847 

IJsselsteen en boter: het gele goud

In de 19e eeuw werd eerst de polder Zuidplas en vervolgens Prins Alexander met Dorrestein drooggelegd. Gefortuneerde steenbakkers kochten daar percelen om te verpachten. Ze bouwden er ook pachtboerderijen, zoals De Batavier, toen aan de Onderweg midden in de polder, nu een slechte replica op dezelfde plek aan de Batavierlaan in hartje Nieuwerkerk. Het was Leen Mijnlieff die De Batavier liet bouwen. Zijn zestienjarige zoon Adriaan Marie, die toen op de HBS zat, mocht in 1881 de eerste steen leggen van deze eerste pachtboerderij die in de Prins Alexanderpolder werd gebouwd. Zijn latere vrouw Greet, legde twaalf jaar hierna de eerste steen legde voor hun kapitale buitendijkse villa bij hun steenplaats. Greet was een dochter van Arie Cornelis Mijnlieff Janszoon, steenfabrikant van de Steenplaats 1 in Krimpen aan den IJssel. Die had eerder flink geïnvesteerd in pachtboerderijen rond Moordrecht.

Pachters in de nieuwe boerderijen hielden melkkoeien en daar wilde Leen Mijnlieff eveneens van profiteren door een roomboterfabriek op te richten bij zijn woonhuis aan het eind van ’s-Gravenweg tegen Kortenoord aan. Leen vroeg hun vaste Kralingse architect en ir W. Brandsma Johz, een ontwerp te maken. De Mijnlieffs maakten graag gebruik van zijn expertise. Brandsma was een mannetjesputter en van vele markten thuis. Eerder maakte hij, in opdracht van het Rijk, topografische kaarten. Later werd hij vermeld als hoofdopzichter bij de drooglegging van de polder Prins Alexander. Hij ontwierp voor Adriaan Marie en Greet de markante villa aan de IJssel op de Groenendijk bij Klein-Hitland en utiliteitsgebouwen voor de steenfabriek.

De Nieuwerkerkse aannemers Cornelis (Cor) van Leeuwen (timmerwerk) en Hendrik Cornelis (Henk) de Wit (metselwerk) werden aangenomen om de roomboterfabriek te bouwen op het terrein dat Leen in 1871 had gekocht bij de openbare verkoop van steenplaats Kortenoord. Het lag tussen het in de volksmond geheten Spiegelhuis – waar hij woonde en kantoor hield – en de IJsseldijk.

De boterfabriek kreeg een handig laadperron en een stoommachine. Die laatste diende niet alleen om melk te stomen, maar ook als krachtbron om de karntonnen te draaien.

1894 Onderwijzer Fred van Driesten de eerste directeur

De 34-jarige dorpsonderwijzer Frederik Jan van Driesten (1859-1944) werd benoemd als directeur. De Nieuwe Gorinchemse Courant vermeldde dat 8 maart 1894 onder het kopje „Van de school in de boter”. Van Driesten werd niet gevraagd directeur te worden, omdat hij kaas van boter had gegeten, maar vooral vanwege zijn opleidingsniveau. Fred was als jongen ooit in de voetsporen getreden van zijn vader, schoolhoofd van de openbare school in Lange Ruige Weide en kwam daardoor in Nieuwerkerk als onderwijzer op de nieuwe Openbare Lagere School 2 aan de ’s-Gravenweg. Voor Van Driestens inspanningen als vervanger van bovenmeester Tol, die dat jaar lang ziek was geweest, kreeg hij in 1892 een gratificatie van de gemeente.

Het aanbod om hoofd te worden van de openbare school in Zevenhuizen sloeg hij af. Waarschijnlijk had hij het inmiddels gehad met zijn docentenbestaan en was hij, als leeftijdgenoot, in het vriendenclubje van de broers Mijnlieffs terecht gekomen die hem verleidden om een nieuwe uitdaging aan te gaan..

Een jaar na zijn aanstelling bij de boterfabriek trouwde de kersverse directeur met de Schiedamse onderwijzeres Louise Kimmijser (1865-1945), die koos voor een toekomst als huisvrouw. Het stel ging wonen op ’s-Gravenweg B162a, later B161 en kreeg daar al snel twee zonen: Gerhard en Wim. Louise kreeg vanaf 1899 hulp in de huishouding van de 17-jarige dienstbode Cornelia Palsgraaf, die bij hen inwoonde.

Fabrikant Leen Mijnlief overleed 29 januari 1900. Het was aan zijn beide zonen om zich met de exploitatie te bemoeien.

Onder Van Driestens leiding sloot de boterfabriek zich in 1901 aan bij het Boter-controle-station Zuid-Holland, die regionaal toezicht ging houden op de kwaliteit van de boter. Kort na de geboorte van hun dochter Wilhelmina in november 1902, in de zelfde week waarin hun vierjarige zoontje Wim jammerlijk overleed, vertrok het gezin naar Haarlem, waar Van Driesten in 1907 in het adresboek vermeld staat als opzichter bij de melkcontroledienst.


Dit is mogelijk Bouwen Zandstra toen hij nog klerk bij de zuivelfabriek was in Harich. (Detail van een groepsfoto van personeel van de Zuivelfabriek Harich in Balk). Meest waarschijnlijk gemaakt bij de opening van die fabriek in 1898. (Bron www.langsdeluts.nl)

1903 Friese schaatsliefhebber Bouwen Zandstra laatste directeur

Van Driesten werd eind januari 1903 opgevolgd door directeur Bouwen Zandstra (1872-1943), geboren in Langweer. In Zoetermeer werkte Zandstra korte tijd als chef in de kindermelkfabriek (later Nutricia). In Friesland was hij vanaf de oprichting tot 1900 klerk (directieassistent) in de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Harich in Balk, waar zijn vrouw Siebrigje Wiersma vandaan kwam. Ze trouwden in maart 1903 in Gaasterland.

Boeren die de eerste melk in het voorjaar aanvoerden bij de fabriek in Nieuwerkerk kregen in 1904 ƒ 4,35 per 100 liter, ƒ 0,15 minder dan in Rotterdam, maar daarvoor moesten ze een stuk verder rijden met hun melkbussen. Als ze meer melk hadden dan de boterfabriek kon verwerken, was er geen man overboord, want dan konden ze daarmee alsnog terecht in Rotterdam.

De kinderen van de Zandstra’s werden in 1904 en 1906 geboren aan de ’s-Gravenweg 197.

Zandstra was maatschappelijk betrokken en politiek actief in de gemeente voor de partij Algemeen Belang.

Als echte Fries zette hij zich als bestuurslid in voor de Nieuwerkerksche IJsclub.

Friesland liet hij niet in de steek, want hij werd in mei 1906 voorgedragen als een van de negen beheerders van een nog op te richten coöperatieve zuivelfabriek in Langweer, hier had hij met nog 37 kandidaten op gesolliciteerd. In februari 1909 was hij ook een van de zes beheerders van de coöperatieve zuivelfabriek in Jelsum.. Die  toezichthouderstaak kon hij kennelijk goed met een full time job in Nieuwerkerk combineren.

Samen met zijn buurman, de plantenkweker Gerhard Jan Bier, was hij in 1913 van de partij om de optocht voor de viering van de honderdjarige onafhankelijkheid van Nederland te organiseren.

1914 Het einde

Bijgaande advertentie van 11 maart 1913 laat zien dat de boterfabriek een groot gebrek aan mensen had.

De erfgenamen van Leen Mijnlieff, zoon Arie en Adriaan Marie, hadden waarschijnlijk geen zin om er mee door te gaan en probeerden een koper of huurder te vinden voor de fabriek, waar tussen de anderhalf en twee miljoen liter melk per jaar werd verwerkt. Advertenties leverde geen gegadigden op. Ze besloten daarom de inventaris openbaar te veilen. Dat zou gebeuren op vrijdag 1 mei 1914. Door de omschrijving in de aankondiging van deze verkoop, weten we nu dat er behalve roomboter ook kaas werd gemaakt, ondermeer in Edammer-formaat. Een maand na de openbare veiling vertrok het gezin van directeur Zandstra naar Vlaardingen, waar hij 'directeur eener Zuivelfabriek' werd (genoemd 26 oktober 1915), waarschijnlijk Hollandia.

Adriaan Marie overleed 15 september 1915, net 50 jaar oud. De doodsoorzaak was volgens nazaten een erfelijke suikerziekte, waaraan ook zijn kinderen leden. Deze slepende ziekte zal mee hebben gespeeld bij het besluit om de fabrieksactiviteiten te stoppen. Na zijn overlijden nam zijn broer Arie zakelijk waar voor weduwe Greet.

1915 Doorstart als margarinefabriek?

Het gezin van Gijsbertus van den Bogert, in 1866 geboren in Ammerzoden, kwam 1 september 1915 uit Rotterdam om in het huis van de Zandstra’s te gaan wonen. Gijsbertus en zijn vier jaar jongere vrouw Antje Grootveld hadden toen drie kleine kinderen. Van den Bogert werd bij hun komst in het gemeenteregister ingeschreven als fabrieksarbeider. Kennelijk was hij dat niet lang, want kort daarop werd dit beroep doorgestreept en vervangen voor „directeur margarinefabriek”. Misschien was dit een poging om de boel weer op te starten. Lang duurde deze poging dan niet, want het gezin vertrok tien maanden later richting Den Haag. Waarom Van den Bogert als beroep directeur margarinefabriek laat vermelden bij het bevolkingsregister roept vraagtekens op. Was hij van plan om er een margarinefabriek te beginnen?

Latere fabrieksactiviteiten op dezelfde locatie

Het fabriekspand werd verkocht in 1917. Weduwe Greet Mijnlieff en haar zwager Arie gingen in op het aanbod van een coöperatie van boeren die het pand en de stoommachine wilden gebruiken om hun groenten te conserveren.

24 JULI 1918 Coöperatieve Inmaak Centrale Rotterdam en Omstreken (CIREO) opent zijn deuren. Voor de veelal vrouwelijke arbeiders die ze in Rotterdam ronselden, was de fabriek per trein eenvoudig bereikbaar. Door de vraag tijdens de Eerste Wereldoorlog waren veel melkveehouders op tuinieren overgeschakeld, ze verbouwden snijbonen of kweekten groenten en tomaten onder plat glas. Er was veel vraag naar snijbonen van het Duitse leger dat er goed voor wilde betalen. Tegen de tijd dat de fabriek goed en wel was opgestart, was de oorlog echter voorbij en ging de coöperatie op de fles.

1933 De fabriek stond leeg en er was geen onderhoud. Raadslid Tom waarschuwde voor instortingsgevaar van de lange schoorsteen.

1937 Rotterdammer Schouten vatte het plan op om er slachtafval te gaan verwerken en vet te smelten. Vanwege de hinderwet diende hij een aanvraag in. Het lijkt erop dat de toestemming er niet is gekomen.

1945 Het pand werd weer in gebruik worden genomen als de carrosseriefabriek van Paul & van Weelde zich er vestigt, later ging die samen met Pacton en werd het containerfabriek Contar.

2000 Het fabriekspand werd afgebroken om plaats te maken voor het nieuwe distributiecentrum en de coolstore van exportslachterij Boer. Die zal blij zijn niet meer afhankelijk te zijn van ijs in de Ringvaart.

Het Spiegelhuis waar Leen Mijnlieff woonde en zijn kantoor had. Later werd dit verhuurd aan meerdere gezinnen, waaronder schoenmaker Doornhein. (fotograaf onbekend)


© Rob Stolk (HIJM) schreef dit voor HIJM en de
Historische Vereniging Nieuwerkerk aan den IJssel 


Goudsche Courant | 1894 | 5 februari 1894 | pagina 1


Goudsche Courant | 1894 | 6 maart 1894 | pagina 1


Goudsche Courant, donderdag 12 april 1894


Nieuwe Gorinchemsche Courant, 8 maart 1894


Adresboekenx Haarlem | 1907 | 1 september 1907 | pagina 118


Schoonhovensche Courant | 1903 | 31 januari 1903 | pagina 1


Leeuwarder Courant 4 februari 1903


Schoonhovensche Courant, woensdag 9 maart 1904


Jan Baas (1882-1954) Foto: Collectie Oud-Castricum

Jan Baas: van lagere-school-verlater bij Mijnlieff & Co tot directeur van eigen zuivelfabriek in Castricum

Een van de opvallende mannen die onder Van Driesten werkte, was Jan Pieter Baas. Hij werd in 1882 in Nieuwerkerk geboren als zoon van wegwerker Leen Baas en Corrie Vleggert van de ’s-Gravenweg.

De kans is groot dat hij bij Van Driesten in de klas heeft gezeten. Na de lagere school (±1887) kon Baas in de boterfabriek aan de slag. Hij volgde tegelijkertijd cursussen voor botermaker en kaasmaker.

Rond de eeuwwisseling had hij het vak onder de knie. Toen directeur Van Driesten vertrok, hield de jonge Baas het ook voor gezien en vertrok naar Den Haag om daar afdelingschef te worden bij zuivelfabriek De Sierkan, met vestigingen in Den Haag en Leiden.

Omdat hij in 1906 Hans Gerrits kon opvolgen als directeur bij Stoomzuivelfabriek De Holland in Castricum, verhuisde hij daarheen, inmiddels getrouwd met Ria Vis.

In 1915 nam hij met vier aandeelhouders De Holland over, toen eigenaar Herman Burger de melkfabriek publiek verkocht; niet omdat Baas de ambitie had eigenaar te worden, maar omdat hij bang was zijn baan te verliezen.


Andere arbeiders bij Mijnlieff & Co

  • Johannes Christiaan Morhee was volontair van april 1909 tot februari 1910.
  • Jacob van Velzen was voor de sluiting één van de arbeiders. Hij en zijn vrouw Cecilia Koemans woonden op de ’s-Gravenweg B111.
  • Dirk Cornelis (Kees) de Hoog (1859-1920) was de machinist. Hij was getrouwd met Hendrika den Outer. Ze woonden met hun kinderschare op ’s-Gravenweg 242.

Nederlandsch weekblad voor zuivelbereiding en veeteelt; orgaan voor veehouders, boter- en kaasfabrikanten en handelaren in zuivel-officieel orgaan van de Vereeniging "Het Rundveestamboek Noord-Holland", jrg 18, 1912-1913, no 50, 11-03-1913


Nederlandsch weekblad voor zuivelbereiding en veeteelt jrg 18, 1912-1913, no 50, 11-03-1913


Nederlandsch weekblad voor zuivelbereiding en veeteelt;, jrg 20, 1914-1915, no 3, 21-04-1914


Schoonhovensche Courant | 1914 | 25 en 29 april 1914 | pagina 5


Memoires van een ooggetuige

Gepensioneerd schoenmaker Cees Doornhein sr, geboren in 1909 en getogen in het Spiegelhuis naast de boterfabriek, schreef zijn memoires in 1997 in huis-aan-huiskrant Het Kanaal. Daardoor weten we nu dat naast het Spiegelhuis het houten directiekantoor stond, dat op een gewoon huis leek. Over een smal brugje kwam je bij de fabriek. De melk werd met wagens aangevoerd. De melkbussen werden op een ronddraaiend plateau gelost en verder de fabriek in gebracht. De machines werden door stoom aangedreven. Achter in het gebouw was de stoomketel met de vuurmond. De pijlglazen en kranen maakten indruk op de jonge Doornhein. De machinist was Kees de Hoog. Achter op het fabrieksterrein stond een grote schuur waar varkens werden gemest. Via een smalspoorbaantje ging de afgewerkte melk in een lorrie naar de varkensschuur. Er stond daar even­eens een houten gebouwtje waarin grote ijsblokken lagen opgeslagen. Dit ijs werd in de zomer gebruikt om boter te koelen en werd ‘s winters uit de Ringvaart gezaagd. Het gebouwtje had geen vensters en was dubbelwandig; de spouw was opgevuld met zaagsel. Zelfs ’s-zomers moest het ijs dat er lag worden losgehakt, zo goed werkte deze isolatie.

Kijkje in het fabriekspand van CIREO. De stoomketel links is van de Koninklijk Nederlandsche Machinefabriek, voorheen E.H. Begemann Helmond. Zou de man rechts nog Kees de Hoog zijn? Hij heeft er wel de leeftijd voor.