De Hollandsche IJssel

De Hollandsche IJsselregio telt twintig musea/oudheidkamers, veel erfgoed als molens, steenovens en dijkboerderijen een bezoek waard. Met zijn originele streekproducten, denk aan Goudse kaas, stroopwafels, plateel en kaarsen heeft het iets te bieden dat nergens anders te vinden is. Qua landschap is Holland in een notendop, het enige dat mist zijn Amsterdam en tulpenvelden.

Een tocht over of langs de Hollandsche IJssel is een tocht door het verleden. Alles heeft zijn verhaal: de polders, waterlopen met dijken zijn ontstaan door menselijk handelen. Het oude moerasgebied met kreken waar jagers en vissers in de Swifterbantcultuur leefden, veranderde door menselijk handelen in de delta met rivieren zoals we die nu kennen. In de Romeinse tijd begon dat met de Canenefaten. Het polderlandschap rond de Hollandsche IJssel en de Lek zijn het gevolg van oplossingen voor zelfgecreëerde problemen. Ze ontstonden door ontwatering voor ontginning en door het graven van vaarverbindingen. Die maakten dat de hoofdloop van de Rijn anders ging stromen. Rond het jaar 100 ontstond de Hollandsche IJssel door de verbinding tussen kreken van de Rijn en Maas bij Haastrecht, een eeuw later ontstond de Lek door een verbinding ter hoogte van Schoonhoven.

Het einde van de Spaanse overheersing luidde voor de Nederlanden de tijd in van de Gouden Eeuw die samenviel met de Tachtigjarige Oorlog. De Gouden Eeuw begon voor de Hollandsche IJssel met de onderwaterzetting van land door de Oranjegezinde troepen die Leiden met platbodems wilden ontzetten.

In de Gouden Eeuw was de Hollandsche IJssel nog niet deels gekanaliseerd, zoals nu. De rivier was cruciaal als transportverbinding tussen steden in het achterland en de rijke havensteden.

De stadjes langs de IJssel konden zich ontwikkelen doordat ze producten die in de polders werden geteeld of gewonnen met noeste arbeid omzetten in voedsel of gebruiks- of bouwmaterialen voor de inwoners van groeiende grote steden, of door de afzetmogelijkheden die de handelsvloten van de VOC en WIC boden. Voor de (wal)visserij, zeevaart en binnenvaart werd touw en doek gemaakt van hennep. De opkomst van de walvisvangst en groei van de lucratieve haringvisserij, wijn- en specerijenhandel legde geen windeieren.

Tientallen steenfabrieken langs de getijrivier leverden bakstenen voor plaveisel en bouwwerken. De steenplaatsen, zoals de fabrieken heetten, waren economisch belangrijk en vormden de basis voor de buurtschappen en dorpskernen die  daar omheen werden gebouwd. 

De machines uit die tijd waren molens. Ze hielden de polders droog, waar koeien liepen of turf werd gestoken. Ze maalden graan, persten olie, beukten stoffen, en zaagden bomen. Een aantal windmolen zijn gelukkig behouden of herbouwd en sieren nu nog de oevers van Krimpen, Kortenoord, Gouda, Haastrecht, Montfoort en IJsselstein. Andere, minder zichtbare watermolens zoals in Gouda, draaiden op stromend water, dat ze bij vloed inlieten, soms tot ergernis van het waterschap dat zorgde voor het waterpeil in de polder.

Goederen en passagiers verplaatsten langzaam, maar gestaag via een efficiënt werkend distributiesysteem met beurtveren en strekschuitdiensten over open water, door sluisjes, over bolderbanen en kanalen. Twee keer zo snel, maar drie keer zo duur personenvervoer ging met de postkoets over de nieuwe, vaak met harde ijsselsteentjes, klinkers, bestrate wegen. Die heette geen postkoets omdat ze post vervoerde, maar omdat ze tussen posten reden, haltes met herbergen, waar verse paarden klaar stonden om te worden ingespannen. Op de punten waar het vervoer even stokte, bij een herberg, sluis, kruispunt of ophaalbrug, kon worden geprofiteerd van de passanten en groeiden woonkernen.

Gouda was de belangrijkste haven en controleerde de handel en ambachten in het Hollandse deel van de Hollandsche IJsselregio. Schepen, komend uit Dordrecht of Rotterdam, moesten hier schutten om via de Gouwe en Oude Rijn verder te kunnen naar Alphen, Woerden, Utrecht, Haarlem en Amsterdam. De stad voer daar wel bij en verkocht aan de wachtende passanten niet alleen goederen, maar ook plateel, pijpen, bier en de diensten van meisjes van plezier.

Ouderkerkers kozen vaak een bestaan in transport over water, maar ook voor de walvisvaart. In nagenoeg alle plaatsen langs de IJssel waren grote en kleine scheepstimmerwerven voor de binnenvaart, roeiboten of pramen. 

De Utrechtse stadjes moesten het hebben van hun specialiteiten: Oudewater maakte touw, Montfoort knopen en IJsselstein was zakelijk interessant, omdat het een onafhankelijk, ‘belastingtechnisch interessant’, ministaatje van de Oranjes was op de grens van Holland en Utrecht.

De Gouden Eeuw  eindigde opnieuw met een inundatie, nu van de Oude Hollandse Waterlinie. Deze keer om de Franse troepen van Lodewijk XIV te dwarsbomen in het Rampjaar 1672. Dit jaar wordt beschouwd als het eind van de bloeiperiode van de Nederlanden.

 

Een veerschuit uit de Gouden Eeuw, 1642, Dirk Eversen Lons, 1642 (Rijksmuseum)

Oudewater

Oudewaterse Moord vernietigend

Voor dit rijke stadje aan de IJssel begint de Gouden Eeuw desastreus. De Spanjaarden vallen binnen en slechts weinigen ontsnappen aan de slachtpartij die dan volgt. De wederopbouw van de stad komt er dankzij de touwindustrie en hennepoliemakers. Dit stort  in als de scheepsbouw voor VOC en WIC stagneert na het Rampjaar 1672.

Lees meer »

Oudewater

Contra-remonstrantisme wordt staatsgodsdienst

De Oudewaternaar Jacob Hermansz (Jacobus Arminius), ontsnapte aan de Oudewaterse Moord omdat hij voor studie elders was. De student die zijn familie daardoor verloor, genoot protectie van de eveneens uit Oudewater afkomstige geleerde Ruud Snel van Royen (Rudolph Snellius).

Hermansz werd de grondlegger van de Remonstrantse Kerk en lag over zijn religieuze opvattingen in de clinch met de door prins Maurits gesteunde Gentse predikant Frans Gomaer (Gomarus).

Dit liep bijna uit op een burgeroorlog. De Synode van Dordrecht boog zich erover en koos na jaren beraad in 1619 voor de visie van Gomarus.

Lees meer »


IJsselstein

Baronie bleef zelfstandig onder Oranjes

IJsselstein was een autonoom staatje tussen Utrecht en Holland. Het belandde in familie van de Oranjes door het huwelijk van Willem de Zwijger met Anna van Egmond, die barones was van IJsselstein en de gravin van Buren.

Hun nazaten droegen wel de titel Baron van IJsselstein, maar keken in de praktijk weinig naar hun erfgoed om.

Toen de Fransen zich in het Rampjaar 1672 terugtrokken, werd het kasteel van IJsselstein opgeblazen. Alleen de Loyertoren bleef staan om als decor te dienen voor het prachtige Kasteelpark dat in 2018 werd geopend met heuse riddergevechten.

Lees meer »


Monfoort

Eind hegemonie burggraven

De burggraven van Montfoort trokken zich niets aan van het verbod het katholieke geloof te belijden. Daardoor bleef Montfoort overwegend katholiek. Het huis van Merode raakte echter aan lager wal in 1648, waardoor de Staten van Utrecht het in handen kregen. Het Rampjaar 1672 was ook voor Montfoort een drama. Het stadje moest onderdak bieden aan een Frans garnizoen. Als dank daarvoor bliezen ze het kasteel op en lieten de puinhopen achter. Het jaar daarop werd het stadje in de vrieskou opnieuw ingenomen door 2000 Franse soldaten.

Lees meer »

 

Qua infrastructuur, polderwerken, windmolens, erfgoed, grachtenstadjes, ambachten en industrie is er langs de Hollandsche IJssel nog veel over de Gouden Eeuw te ontdekken.

Tijdens uw bezoek kunt overal heerlijk overnachten, ontspannen op een terras en genieten van een wandel-, fiets- of vaartocht in een middeleeuws stadje of in de prachtige parken en poldernatuur. En zoekt u ’s avonds vertier? Dat is er volop: restaurantjes, theaters, bioscopen, bars en kroegjes. 

Gouda

Einde van hoogconjunctuur bier en turf

Gouda was in de Bourgondische tijd al een belangrijk verkeersknooppunt. Bier en turf waren de economische peilers in de handel tot de scheiding met Vlaanderen een feit was. Voor de Gouwenaren die in die sectoren handelden en werkten, begon de Gouden Eeuw dus ongunstig. Van de maar liefst tweehonderd bierbrouwerijen overleefden slechte enkele deze crash. Ook de turfhandel kelderde in omzet, want de helft van deze brandstof die uit de achterliggende polders werd gestoken, werd tot dat moment samen met de biervaten naar Antwerpen verscheept. Omgekeerd kwamen er wel Vlamingen die om religieuze of financiële redenen uit waren geweken en een nieuwe impuls gaven aan andere ambachten. Boekdrukkerijen en weverijen gingen floreren.

Trekvaart en beurtveren

Trekvaartschepen en beurtveren voeren volgens dienstregelingen via speciaal aangelegde kanalen met jaagpaden. Ook vrachtverkeer ging over water. Dit bracht veel handel en rijkdom langs de hele Hollandsche IJssel. De Goudse Haven, die als schutkolk diende van de sluis tussen de IJssel en de Gouwe, was de bottleneck. De stad lag als een spin in het web tussen Dordrecht, Rotterdam, Amsterdam (via Leiden en Haarlem) en Utrecht. Langs de Haven floreerden zeilmakerijen, winkels, kroegen en hoeren.

De Staat legde de stad al snel de bouw op van de Mallegatsluis, zodat oorlogsbodems en grotere schepen deze klantenfuik konden omzeilen. In de steden zelf waren grachten de verkeersaders, de watervoorziening en de rioolafvoer.

Scheepstimmerwerven, touwslagerijen, weverijen en houtzagerijen deden het goed. Rijkdommen werden niet alleen gebruikt om panden van steen op te trekken en straatwegen aan te leggen voor de snelle postkoetsverbindingen die kwamen, zoals over de langste straatweg via de ’s-Gravenweg tussen Gouda en Rotterdam, maar ook om kunstenaars aan werk te zetten die sjieke gevels maakten, grote gebrandschilderde ramen en mooie schilderijen, vooral familieportretten en volktaferelen.

 

Getijdedeel van de rivier

Veertig fabrieken voor ijsselsteentjes

Wereldwijd vinden we wat hier in de Gouden Eeuw werd geproduceerd: de ijsselsteen die door de koopvaardij als ballast werd meegenomen. Ze werden niet alleen gebruikt in bouwwerken van de voormalige handelsposten van de Verenigde Oostindische Compagnie en de West Indische Compagnie, maar ook voor waterputten en bijvoorbeeld waterdichte indigobakken, zoals op Curaçao.

Steenfabrieken langs de IJssel floreerden en domineerden de baksteenindustrie in de Lage Landen. In de buurtschappen langs de benedenloop brandden honderd veldsteenovens waar de bekende gele ijsselsteen werd gebakken voor herenboerderijen en om de panden in de steden te verstenen teneinde grote branden te voorkomen.

De arbeiders woonden bij de fabrieken langs de rivier en leden een geïsoleerd bestaan. Hele gezinnen, van kleine kinderen en zwagere vrouwen tot bejaarden zwoegden voor de fabrikanten die er steenrijk van werden. De buurtschappen langs de dijken zijn erdoor ontstaan.

De veldsteenovens op de twaalf steenplaatsen van Haastrecht trof in het Rampjaar hetzelfde lot als de kastelen in IJsselstein en Montfoort, ze werden opgeblazen. Het was de doodsteek voor de Haastrechtse steenindustrie.

Lijnbanen in Moordrecht en Oudewater

Het achterland leverde hennep op voor: touw voor de tuien, schoten, trossen en wanden van de handelsvloten en voor netten voor de haringvloot, ook werd er garen gesponnen voor lakens en zeildoeken. Hennepstro werd, nadat de olie eruit was geperst, verkocht aan Zaanse rolreders die het in beukmolens of hennepkloppers vervezelden en in hekelaars kamden om het van ongerechtigheden te ontdoen. Daarna ging het naar een ziedhuis om het te koken en te vermengen met potas. Dit leverde de soepele witte vezels op die werden gesponnen en geweven tot canvasdoek. Dit zeildoek werd gebruikt op schepen en molens en kon wel een halve centimeter dik zijn.

Een VOC-schip had wel 50 tot 100 ton touw en zeil aan boord allemaal afkomstig van de hennepteelt. De hennepolie werd gebruikt om zeil en touw waterafstotend te maken. Hennepvezels werden ook gebruikt om papier van te maken. In Waddinxveen werd aan de Zuidkade zaagmolen De Schoone Haas omgebouwd tot papiermolen.

De veeteelt leverde op zuivelproducten, zoals de befaamde Goudse kaas die door de boeren met schuiten werd aangevoerd en op de Goudse markt werd verhandeld.

 

Inundaties Oude Hollandse Waterlinie betekende eind van hennepteelt

Het Rampjaar 1672 wordt gezien als het einde van de Gouden Eeuw. Nederland hield stand dankzij de Oude Hollandse Waterlinie die verder oprukken van de troepen van Lodewijk XIV voorkwam.

Hennep groeit alleen op goed bemeste grond. Doordat het land onder water werd gezet losten de fosfaten op en toen de polders weer droog werden bleken de fosfaten opgelost en de grond te arm om direct weer hennep op te kweken. Veel boeren begonnen er niet opnieuw aan, waardoor de touwfabrieken in Oudewater gedwongen werden dure hennep te importeren uit landen rond de Oostzee.

Spoor van vernielingen

Toen de Fransen letterlijk nattigheid voelden gaven ze het op, maar niet zonder een spoor van vernielingen achter te laten: het kasteel van IJsselstein werd opgeblazen, net als dat van Montfoort. In Oudewaterse kern werd veel vernield.

De veldsteenovens op de twaalf steenplaatsen van Haastrecht trof hetzelfde lot als de kastelen. Dit was de doodsteek voor de Haastrechtse steenindustrie.

Een jaar later kwamen de Franse troepen echter terug en werd de bevolking verplicht onderdak te verschaffen aan Franse soldaten. Vooral het zelfstandige staatje IJsselstein had het zwaar te verduren met het onderhoud van de vele troepen.

Opkomst van Rotterdam

Rotterdam was voor connecties met het achterland afhankelijk van de IJssel. De stad groeide snel. Landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt zette al in 1594 zijn handtekening voor een forse uitbreiding tot aan kreek de Leuve waar in 1608 de Nieuwehaven klaar kwam.

Zestig jaar later koopt de stad Kralingen voor verdere uitbreidingen. 


Capelle en Nieuwerkerk aan den IJssel

Dijken lek voor Leidens ontzet

De Gouden Eeuw begon kort na het Leidens Ontzet, mogelijk gemaakt door de het land onder water te zetten vanaf Schieland tot Leiden. De Schielandse Hooge Zeedijk langs de IJssel, die nu Groenen- en Goenedijk heet werd op zestien plekken doorgestoken onder toeziend oog van Willem van Oranje. Een monument in Capelle markeert een van die plekken.

Lees verder »

Capelle aan den IJssel

Ambachtsheer Hans van der Veeken 

De schatkistbewaarder van Van Oldenbarneveld was Hans van der Veeken, een katholieke koopman uit Antwerpen, rijk geworden van haringhandel. Hij was mede-compagnon van de Rotterdamse of Maghellaanse Expeditie waarvan een schip van de vijf die uit Goeree vertrokken via Kaap Hoorn Japan bereikte. Dit legde de basis voor het alleenrecht van de VOC op de handel met Oost-Azië.

Van der Veeken werd na oprichting van de VOC bevelhebber van de Rotterdamse tak. Hij werd de rijkste man van de stad en ambachtsheer van Capelle en Nieuwerkerk. Het Slot Capelle liet hij bouwen op de plek waar eerder het kasteel van Jacoba van Beieren stond. 


De omroepen VPRO en NTR hebben in 2012 een schitterend overzicht

De Gouden Eeuw

gemaakt dat 1585 tot en per jaar 1688 belicht. Niet alleen in woorden, maar ook in 13 documentaires, die zijn uitgezonden in 2012 en 2013.

Lees meer »